Blog

  • Jozef Tytgat

    Jozef Tytgat (18 september 1921 – 2 november 1977) was met mij in de normaalschool.  Onopvallend, hoorde bij geen enkel groepje vrienden thuis.

    Ergens rond het derde normaal stelde ik voor aan mijn maat Armand Muys hem uit te nodigen bij ons beiden.  Dat gebeurde.  Vanaf dan waren we met z’n drieën tijdens de wandelingen en in de speelzaal.

    Welhaast ondervond ik dat Armand en Jozef vrienden waren geworden.  Ik trok me terug en van dan af was de relatie met beiden bijna totaal verleden tijd.

    Thuis wisten ze dat niet.  In 1940 haalde ik Armands koffer naar Lichtervelde en hijzelf verbleef een tijd bij ons tijdens de examenperiode.  Maar de glans was eraf.  Ik heb mij er nooit meer bij gejeund.

  • Jeroom Bauwens

    Jeroom Bauwens (14 maart 1898 – 2 september 1978) was nog een van die harde werkers, ploegbaas bij NV Devriese, veel banen aangelegd … en gedronken?

    Ik kende hem maar in zijn oude dag.

    Zodra hij mij zag in de tuin werken, kwam hij tot bij mij gewandeld met zijn onafscheidelijk hondje.  We praatten over alles en niets.  Hij was wijs en rustig.

    Hij volgde het gedoe van mijn duiven.  En kende ze bijna zo goed als ikzelf.

    Tot zijn 65 gewerkt, en met tegenzin gestopt, omdat het jonge volk hem scheef bekeek.  Tot zijn 78 trouw bestuurslid geweest van de Eeuwige Lente.

    Maar één keer ziek geworden: zijn laatste ziekte.  Hij zei tegen zijn vrouw: “Ik ben ziek.  En als mijn dood zo gelegen is, zal ik maar vertrekken”.

    Hij was bijna een vriend van mij.

  • Jerome Vancoppenolle

    Jerome Vancoppenolle (2 november 1893 – 7 juli 1969), kort, dikbuikig, was gekend als schutter ter plaats.  Hij was bakker naast het gemeentehuis in de Torhoutstraat en altijd vrolijk in gezelschap.  Zijn winkel bleef de naam dragen van zijn moeder: het bleef steeds “Jerome van Clemencens” (Vanwalleghem).  Hij werd steeds aangesproken met “taartewupper”.

    Veel anekdoten deden over hem de ronde.  Hij was zowel beroemd voor zijn schuttersprestaties als voor zijn pinten drinken.  De schuttersgilde was een vrolijke bedoening.  Er waren verscheidene groepjes:

    • Er was een elitegroep die na elk schot een pint ging drinken: Emerie Deschepper, Nestor Demeulenaere en Jozef Vankeirsbilck;
    • Verder ook Leon Reynaert, Odiel Vandevelde en Jerome;
    • En dan kleurrijke figuren zoals André Vanzieleghem (“het vat”), Jules Soen, Leon Vanwalleghem en Jozef Bouckaert;
    • En de twee stomme Vanoverschelden, Albert Vanoverschelde, André en Gerard Vanzieleghem.

    Er werden steeds weer nieuwe grappen bedacht.

  • Henri Brysse

    Henri Brysse (14 oktober 1896 – 15 september 1971) was handelaar in afvalgoederen: vodden, metalen.  Hij was steeds op weg per (zware) fiets.  Toonde graag zijn dikke portefeuille.  Steunde De Zwaan als erelid.

    Hij woonde in het voormalig café De Valcke, en was er het middelpunt van de buurt door zijn vertellingen.  Zette op zomeravonden een reeks stoeltjes buiten voor de buren.

    Iedereen had plezier met Henri.  Bijvoorbeeld toen hij de vensterluiken ging schilderen en zijn pot verf van zijn ladder viel.

    Ik had altijd medelijden met zijn vrouw Bertha Vercaemer, die vaak afgesnauwd werd, haar huishoudgeld maar met mondjesmaat kreeg, bijziende was en altijd kloeg.

    Henri was zelfzeker en heeft een fortuintje vergaard met het opkopen van antiek.

  • Guido Delefortrie

    Guido Delefortrie (5 augustus 1893 – 10 maart 1976) was directeur van de lagere gemeenteschool in Lichtervelde.  Zo leerde ik hem kennen van jongsaf.

    Er bestond een vete tussen hem en moeders familie, de Reynaerts.  Zijn zoon Michel en André, zoon van meester Hoornaert en ikzelf vormden de top-3 van ons jaar.  Terwijl ik door ziekte vrij lang afwezig was op school, mochten Michel en André een jaar overspringen, maar ik niet.  De Reynaerts beschouwden dat als een achterstelling; die ruzie is er steeds gebleven.

    Ik heb daar heel mijn leven de gevolgen van gedragen.  Op zijn intelligente manier heeft hij mij steeds vernederd en gedwarsboomd.  Het zijn bittere ervaringen geweest: niet enkel de “oversprong” van een studiejaar van de anderen terwijl ik ziek was, maar ook zijn reactie op mijn ondermaatse uitslagen in de normaalschool; de overname van het secretariaat van het Davidsfonds na de oorlog (van zijn broer Dis); de vele jaren dat ik in de klas met zwakke leerlingen zat, waar hij zich steeds verwonderde over mijn laag percentage klasgemiddelde; de vele affronten die ik opliep in de omgang; de ervaring van mijn zoon Pol bij zijn zus Céline…  Het is een jammerlijke geschiedenis geweest.

    Het feest van de directeur in 1951. Op de eerste rij van links naar rechts: ?, Betty Tanghe, Guido Delefortrie, ?, en Judith Claerhout. Op de tweede rij Jozef Feryn, mr. Coucke, Céline Delefortrie, Georges Vandewalle, Albert Decorte, Karel Vangheluwe en Julien Paepe.

    Zijn vrouw Marguerite Huyghebaert (25 juni 1892 – 19 mei 1977) heeft hem maar een jaar overleefd.

  • Emiel Delameillieure

    Emiel Delameillieure (7 oktober 1887 – 29 maart 1980) was reeds van in mijn kinderjaren een goede bekende.  Elk jaar kwam hij ons varkentje slachten en plaagde dan moeder door te zeggen: “Het is een binnenbeer”.

    Hij had een kleine hoeve en een winkeltje in de Ketelbuiserstraat waar ik de zaligste momenten van mijn kinderjaren beleefd heb.  Spelend op de hofplaats, in de schuur, op de dilte, met de ekster, met het hondje.  Kijkend naar het vee en de duiven.  Zoekend in Meseurens pitten naar kraaistekkertjes en roobaars; of naar vogelnesten en verloren gelegde henneneieren.  Knabbelend aan een hondekop (appel) of een smouter (peer).

    Goeie milde Emiel, geboren stoefer, die altijd het leven zo optimistisch tegemoet zag.  Wedder op de duiven…  Altijd in tegenspraak met Marietje Vanwalleghem, zijn vrouwtje dat altijd kloeg.

    Uw oude dag is niet zo vrolijk geweest bij uw schoonzoon, maar gij hebt nooit geklaagd.

    En toen ge weg waart was ik op uw hoeve een vreemde.  Al de hartelijkheid was verdwenen.

    Dank u, Emiel.

  • Emerie Maertens

    We noemden hem de “grote” Maertens (11 april 1891 – 19 augustus 1980), in tegenstelling tot Achiel Maertens uit de Essestraat.

    Ik heb nooit een mens gekend die opvliegender was en meer vestand had van (zware) werken.  Hij heeft een deel van zijn leven in Amerika doorgebracht.  En moet daar toch nogal wat verdiend hebben in pioniersomstandigheden.  Als hij aan het vertellen geraakte, begon hij steeds luider en vlugger te praten, altijd over zijn heldendaden in Amerika.

    Ik weet niet of hij kon lezen of schrijven.

    Op zekere dag kwam hij bij ons binnen met een streekblad (het Brugs Handelsblad?).  Daar prijkte op het voorblad een grote foto van de markt van Brugge, met midden op het plein een vliegende schotel die pas geland was en enkele Marsmannetjes die eruit kropen.  “Ziet ge”, zei hij, “dat het waar is.  Ik heb het altijd gezegd dat de vliegende schotels bestaan!”.  We bekeken mekaar eens ongelovig.  Toen zei mijn broer Jozef: “Maar het is vandaag 1 april.  Het is een aprilgrap!”.  We zagen Maertens in geen weken meer terug.

    Rond onze tuin stond een grote doornhaag.  Ik vroeg aan Maertens of hij ze wilde rooien en een afsluiting plaatsen van palen en draad en platen.  Maertens deed dat: het was enorm zwaar werk en hij deed het in orde.  Als hij gedaan had, zei hij: “Nu ga ik trouwen”.  En waarachtig, ’s anderendaags ging hij naar de pastoor met zijn tweede echtgenote Febronietje.

    Er lag een enorme hoop doornstruiken in de tuin.  Ik lukte er niet in om ze te verbranden.  Maertens deed dat wel; in een paar uren was hoop verdwenen.

    Maertens gaf veel geld weg aan de Socialisten.  En vierde mee met een rode sjaal om de nek.

    Hij verzamelde tonnen karton, perste die in pakken en verkocht ze aan goed geld.

    Op het laatst van zijn leven “bekeerde” hij zich.  Deken Leroy (die al even opvliegend was en ook steeds maar luider en vlugger praatte) zat aan zijn ziekbed.  Het waren twee zielen in één zak.

    Maertens verzette enorm veel werk voor Straatjeskermis, tot hij in conflict kwam met Gerard Vanzieleghem.  Dan sloeg hij zijn prachtige boot aan stukken en … gedaan met de stoet.

  • Marcel Colpaert

    Marcel (26 september 1919 – 21 maart 1979) was een gezonde boer, ongehuwd gebleven, runde de hoeve aan de Slunsjes- en Daalderstraat, samenwonend met zijn zuster.

    Hij was lid van de kerkraad en bestuurslid van De Zwaan.  Hij was bevriend met nonkel Sylveer Reynaert en leverde er elk jaar aardappelen.

    Plots kreeg hij de keelkanker en in enkele maanden stierf hij.

    Hij behoorde tot een geslacht van boeren, die jarenlang de hoogste kaste vormden in Lichtervelde.  Die voor de opkomst van het landbouwalaam veel arbeid(st)ers in dienst hadden, en zelf niet werkten maar alles regelden op de hoeve.

  • Flavie Corneillie

    Houthandelaar Jules Perneel, die veel broers had in het Brusselse, had geen kinderen uit zijn eerste huwelijk met Maria-Paulina Demets.  Vlak voor de oorlog huwde hij een tweede maal, nu met Favie Corneillie (13 april 1902 – 21 december 1980).  Ze was afkomstig van Assebroek doch sprak op zijn Hollands en was wijd en zijd gekend om haar zuinigheid.

    Jules Perneel raakte met het einde van de oorlog ook in Sinte Kruis, gevangen wegens zijn Vlaamsgezindheid.

    Terwijl hij afwezig was, profiteerden veel mensen van de situatie om hout te kopen.  Geleerd door die ervaring, ging hij een vennootschap aan met Jules Dick.

    Flavie kreeg een zoon Brand, een buitengewone jongen, die ze spartaans opvoedde.

    De gemoedelijkheid en volksverbondenheid van de houthandel Perneel ging met haar teloor.

  • Augusta Colpaert

    Augusta (14 mei 1914 – 6 december 1980) was een gebuurvrouw uit de Torhoutstraat.  Ze was gehuwd met Achiel Vansteelandt, die bij een treinongeluk in Kortemark een been verloren had (rangeren tussen 2 wagons).

    Ze was altijd een beetje over haar toeren, en had het vooral over ondankbare kinderen die huwden en hun moeder in de steek lieten.

    Ze had 3 dochters.  Marie-Rose bleef ongehuwd.  Bij het huwelijk van de 2 andere was er altijd een grote herrie, zonder dat het tot een definitieve breuk kwam.