Blog

  • Liliane Tack

    Liliane Tack (18 juni 1944 – 2 april 1979) is jong gestorven.

    In de Essestraat woont nu nog Odiel Vancraeynest – Agnes Debaeke; met de Debaekens waren de Reynaerts goed bekend.  Vader Jules (“Max”) Debaeke ging vaak een “druppeltje” drinken in De Leeuw van Vlaanderen.  Zij hadden 4 zonen en een dochter.  Eén zoon Eddy is verongelukt met een zware camion, op een nacht, en zijn moeder kan dat nooit vergeten.

    In het jaar 1979 had ik een lange, magere slungel in mijn klas: Eddy Vancraeynest, de zoon van Freddy.  De gebroeders Freddy, Hubert, Wilfried en Eddy hadden allemaal met min of meer succes gekoerst.

    Eddy, die in mijn klas zat, was aan zijn lot overgelaten en kwam elke morgen naar school met snoep voor zijn ontbijt.  Het was de oudste dochter Carine die een beetje het huishouden beredderde.

    Eddy is niettegenstaande het vroegtijdig verlies van zijn moeder Liliane en de zorgeloosheid en armoede van zijn vader toch uitgegroeid tot een goeie coureur, die wel mislukte als beroepsrenner, maar sedertdien elk jaar veel koersen wint bij de liefhebbers.  Hij geeft elk jaar een feest in Lichtenhove voor zijn supporters.

    Ik had er destijds medelijden mee, toen zijn moeder stierf terwijl hij in mijn klas zat.

  • Pieter Claerbout

    Pieter Claerbout (20 november 1903 – 9 februari 1974) was een markante figuur.  Hij kon hartelijk praten met alle mensen, zijn winkel op de hoek van de Neerstraat en de Astridlaan floreerde.  Hij wijsgerig, zeer christelijk en Vlaamsgezind.

    Als de oorlog gedaan was, is er iets eigenaardigs gebeurd.  Op zekere avond kwam een bende mannen (van Torhout?) gewapend met staven om de winkelruiten in te slaan en de etalages te roven.  Ze stonden te wachten in de Torhoutstraat om hun slag te slaan, weerszijden op het voetpad, zwijgend – om de vijf meter een man.  We voelden dat aan als een dreiging.  We hoorden alleen maar zeggen: “Zijn ze nu nog niet begonnen?  Het duurt te lang!”.  Ze verdwenen weer in de nacht zonder hun plan uitgevoerd te hebben.  Ze moeten ergens verraden geweest zijn of geseind.

    De echtgenote van Pieter, Irene, was een kordate vrouw.  Ze belde de Rijkswacht van Torhout op en er kwamen een paar gendarmen post vatten aan de ingangsdeur.  De dieven dropen af.  Ik weet niet of Pieter toen een tijdlang in ’t gevang van Sinte Kruis gezeten heeft, waar al de Vlaamsgezinden verzameld werden.

    Op ’t einde van zijn leven sprak Pieter over niets anders dan over de wonderen die in de Katholieke kerk gebeurden: Lourdes, Fatima, Pater Pio, …  Hij leefde in een sfeer van euforie.  Hij is een tijdlang secretaris geweest van de Kerkfabriek.  Zijn zoon was mistevreden toen hij hem niet kon opvolgen.

    Irene Dezutter (20 februari 1905 – 3 juli 1980) overleefde haar man 6 jaren en stierf bij haar jongste dochter in Deinze-Gottem.  Er blijft van haar de spreuk: “Pierre n’e ni tois”.

  • Paul Robesyn

    Eerwaarde pater Ericus (Paul Robesyn, Wevelgem, 28 december 1921 – Brussel, 3 september 1975) was een grote, blijkbaar sterke man, aanvankelijk nog in de bruine pij der Kapucijnen.

    Hij kwam mij over als een zeer verstandige, evenwichtige persoonlijkheid, die op zijn manier ven het leven genoot, in alle eerlijkheid.

    Doopte de kinderen van zijn zus Leona (en mijn broer Jozef).  Had daarbij de kans niet om met ons in contact te komen: de familieleden zorgden er wel voor dat dit telkens onderbroken werd als hij –gewoon- een poging deed.

    Pater Robesyn doopt zijn neefje Bart Vangheluwe.

    Hij gaf veel “volksmissieën”.  Was later geliefd in de Marollen in Brussel.  Stierf een haastige dood: bloedopdrang?

    Hij gaf de indruk te genieten van wijn … zou het wel zo geweest zijn?

  • Michel Depuydt

    Michel Depuydt (28 november 1898 – 18 november 1982) was van welstellend volk en een echte “wroeter”.  Hij is vele jaren naar Frankrijk gaan wonen (werken?).

    Hij was zeer ontwikkeld en kon over alles meepraten.  Hij kwam graag praten met mijn vader Polydor Vangheluwe over de hanensport en de politieke evoluties.

    Hij heeft dag en nacht gewerkt.

    Op ’t laatst van zijn leven ging hij elke dag naar Kortemark, waar zijn vrouw Clothilde Delaere (14 juni 1901 – 13 februari 1881) in het rusthuis “Godsvelde” was.  Clothilde was een nicht van mijn moeder Marie Reynaert en zeer intiem bevriend met de familie Reynaert.

  • Michel Colpaert

    Michel Colpaert (23 mei 1913 – 31 juli-1974) behoorde tot de clan van de Colpaerts zoals provincieraadslid René Colpaert en veearts Willy Colpaert, die allemaal veel aanzien hadden bij de boeren.

    Michel was van de rundvee-identiteitsdienst; hij moest met inschrijvingskaarten naar de boeren gaan om van iedere koe een paspoort op te maken.

    Hij was afkomstig van de Beverenstraat, de laatste hoeve links voor de Ridderstraat, als oudste zoon en –wellicht- een “voorkind”.  Hij maakte de mobilisatie mee in 1938-39 en de veldtocht van 1940.  Hij werd gevangen genomen en op een trein gezet, richting Duitsland.  Er moeten zich daar vreselijke taferelen afgespeeld hebben in die trein: 3 dagen en 3 nachten in volgepropte wagens, zonder eten of drinken.  Eigenlijk is Michel die angsturen nooit meer te boven gekomen, het heeft heel zijn leven getekend.

    Na de oorlog, op 11 april 1945, huwde hij met Agnes Vandemoortele (1922 – 2003) uit Rumbeke, een huwelijk dat kinderloos bleef.

    Intussen had Michel zich ontpopt tot een duivenliefhebber die alleen maar “top” duiven wilde houden.  Hij kocht o.a. in een verkoping in Brugge nog voor de oorlog de duurste duif.  Ten andere, zijn vader stond ook met de duurste raskoeien (rode) op stal.  De “ambitie” om de beste te zijn.  Na de oorlog haalde hij uitmuntende duiven bij de familie van zijn vrouw in Rumbeke.

    Na zijn huwelijk woonde hij in het hoge huis achter de kerk (Kerkplein 6) en speelde er schitterend.  Hij “speelde” ook een vooraanstaande rol in het duivenlokaal “Door vriendschap sterk”, wat oorzaak was van veel roddel.

    Ongeveer rond 1949 kocht hij het huis nummer 34 in de Torhoutstraat en bij die gelegenheid vroeg hij of hij een ronde jonge duiven in ’t voorjaar bij ons mocht laten uitvliegen.  Dat gebeurde en vader Pol zorgde buitengewoon goed voor de prachtige collectie.  Als hij verhuisd was, liet wij de jonge duiven overwennen op zijn nieuw hok in de Torhoutstraat.  Sedertdien waren we bevriend en kregen we af en toe wel eens een eitje of een jonge duif.  Dat duurde jaren, tot er een “coup de théatre” gebeurde.

    Op een zondag in 1964 (?) speelde Michel op Clermont bij Henri Vanlerberghe en diezelfde dag ook nog in (…).  Hij reed vlug met zijn eerste constateur naar de Statiestraat en liet daar zijn busjes uithalen, terwijl hij zelf zijn bulletin invulde.  Er was daar echter “incognito” een controleur van de KBDB aanwezig, die de overtreding vaststelde en de constateur wilde in beslag nemen.  Buiten Michel was niemand anders aanwezig.  Reeds lang waren klachten naar de bond gegaan, omdat Michel steeds met de twee eerst uitgegeven duiven een aangeduide serie constateerde.  Michel rukte de constateur uit de handen van de controleur en ging ermee op de loop.  Uit vrees, zei hij achteraf, dat “men” met zijn constateur zou knoeien en hem dan de schuld geven.  De bond schorste hem voor 5 jaren.

    Michel plaatste daarop een treinwagon op de hoek van de weide van zijn ouderlijk huis, aan het eind van de Beverenstraat, en speelde daar verder op naam van zijn broer Gaston.  Maar het lukte niet meer.  Na verloop van 5 jaren richtte hij zijn eigen hok in de Torhoutstraat weer in.  Maar ook daar lukte het nooit meer.  Hij maakte er veel verdriet in.  Hij rekende op de vrienden van vroeger jaren om aan goede duiven te geraken: het hielp niet.  Hij weet het aan “dikke koppen” en aan “het vliesje” rond het oog, dus een besmettelijke ziekte die niet spectaculair was.  Hij had misschien de ambitie niet meer en de daadkracht om alles op te ruimen en van vooraan weer te beginnen.

    Op 31 juli 1974 ging hij, zoals gewoonlijk, zijn middagdutje doen boven.  Er was bezoek om 14 uur en Agnes ging hem roepen.  Ze vond hem dood op zijn bed liggen.  Hartstilstand.  Hij was slechts 61 jaar.

    Ik mocht een paar duifjes kiezen van Agnes.  De rest werd “in blok” verkocht.

    Had hij bedrog gepleegd?  Ik heb geen bewijzen.  Als hij constateerde, arriveerde er wel telkens een duif.  En hij speelde enorm veel prijzen.  Ik zag een paar keer Henri Vanlerberghe de zondagmorgen bij hem aanbellen.  Waarom?

    Ik heb altijd de relatie met hem in stand gehouden, ook als alle liefhebbers hem vluchtten en bespotten.  Maar de jaloersheid speelde ook een grote rol.

    Na het overlijden van Michel keerde zijn weduwe terug naar Rumbeke.

  • Marie Mechelaere

    Na het afsterven van haar echtgenoot, koster Vanden Weghe, woonde Marie Mechelaere (13 oktober 1881 – 15 december 1967) in bij de weduwe Julia De Cocker.

    Op ons verlovingsfeest (27 maart 1955) was ze gevraagd om te koken.  Alle aanwezigen hebben toen mijn dagboek getekend en haar handteken staat er ook bij.

    Op haar overlijdensbrief staat er dat ze meter was van Jozef Vergote.  Was deze Jozef Vergote samen met mijn broer Jozef misdienaar in de jaren ’30?  Als de zoon van kerkbaljuw Achiel Vergote heeft mijn broer daar veel herinneringen aan, uit de tijd van E.H. Flipts en het rondgaan met Pasen om eieren bij de boeren.

    De Vergotens woonden op de hoek der Neerstraat  en Statiestraat.   Hun vlaamsgezindheid tijdens de oorlog kwam hen duur te staan.  Hun inboedel werd vernield bij de bevrijding en ze zijn ergens naar Gent verhuisd.

  • Leon Vangierdegom

    Leon Vangierdegom (15 mei 1890 – 4 februari 1982) woonde in een oud huisje langs de Zwevezelestraat, dat niet eens een voordeur had.

    Hij was op ’t eind van zijn leven blind geworden.  Ik bezocht hem en hij herkende mij aan mijn stem, een stem die hij in jaren niet meer gehoord had.  Ik had er nog een hartelijk gesprek mee over de oude Zwaan, de muziekuitstappen, de kerstvieringen, …

    Zijn vrouwtje, Sylvietje Billiet (1891 – 1967), was zéér klein en altijd vrolijk.

    Ik verbind hem altijd met broeder Henri(?) Vangierdegom, die bij hem zijn laatste levensjaren kwam doorbrengen.

    De mensen zeiden altijd “Leon Sanders”, waarom weet ik niet.

  • Leon Muys

    Leon Muys (19 januari 1886 – 25 juni 1977) was een klein ventje, met snorretje, maar enorm werklustig, timmerman, die zonder vaar noch vrees de gevaarlijkste karweitjes opknapte.

    Geboren in Temse ging hij werken in de suikerfabriek van Helkijn, en hielp ze later ook afbreken.  Zijn vrouw Germaine Bouvrie hield café en pension voor de arbeiders van de fabriek.

    Zijn zoon Armand studeerde met mij voor onderwijzer in de Normaalschool van Torhout.  Voor de oorlog ging ik er met broer en zus elk jaar op bezoek: als hij niet werkte lag hij te slapen.  Hij hield wat kippen en duiven en leefde in zijn eigen wereld.

    Na de oorlog heb ik hem nog éénmaal bezocht als ik soldaat was.  Oud, eenvoudig gebleven, een totale tegenstelling tot Germaine, die een ontwikkelde Walin leek te zijn en uit betere kring stamde.  Een toevallig huwelijk…

    Hij is zeer oud geworden en heeft Germaine veel jaren overleefd, inwonend bij zijn zoon René die onderwijzer was in Helkijn.

  • Leon Coussée

    Leon Coussée (12 maart 1904 – 28 juli 1979) werd door iedereen “nonkeltje” Coussée genoemd en had een uurwerk- en juwelenwinkel in de Torhoutstraat.  Toch ging hij elke dag werken bij een baas (in Menen).

    Hij was zeer kritisch ingesteld en de weinig sympathieke doch accurate kassier van Straatjeskermis in de jaren 1946 – 1956.

    Hij had maar één dochter, die lerares geworden is aan de plaatselijk staatsschool.

    Zijn vrouw (Marie-Louise Verschaeve) is op zekere dag plots gestorven: dat gaf een grote herrie in de Torhoutstraat.

    Hij was de broer van 4 gezusters Coussée (Alice, Julienne, Lena en Lia), die op het hoekje van de Markt woonden (in café St. Michel) en nogal wat bekendheid genoten tijdens de eerste wereldoorlog.

    Zijn broer Florimond Coussée, uurwerkmaker en klein van gestalte, werd soms “Hindenburg” genoemd (gezeten op een kermispony).

  • Justin Molenaers

    Ik ging te vrijen in Moorslede.  Het was een zonnige zondag en we zaten in de tuin.  Er waren reeds een paar kleinkinderen mee (van Frans, broer van mijn aanstaande vrouw).  Toen kwam iemand met een slabbetje op een (driewiel)kinderfietsje aangereden: het was Justin Molenaers (1 december 1893 – 16 september 1975).

    Hij wou heel zijn leven kluchtig zijn.  Misschien als compensatie voor zijn voorkomen; of voor zijn Hollandse afkomst.  Hij was meester-kleermaker, toch al in Oekene geboren.  Zijn grootvader was afkomstig van Torn (NL), zijn kinderen waren geen Vlaamse typen:

    • Gilbert, gedrongen figuur, trok naar Congo;
    • Daria: fröbelonderwijzeres (mijn schoonzus in spe);
    • Denise: gehuwd met ondernemer Lucien Terryn.

    Ze simuleerden een bijzondere vriendschap voor mijn vrouw Liesbeth.  Het kwam nooit echt gemeend over.  Ook Justin verborg zich achter zijn grappen.

    De familie Molenaers op bezoek bij de Verstraetes. Justin staat achteraan, tweede van rechts.