Categorie: Portretjes

  • Elisa Claeys

    Elisa (10 december 1892 – 26 december 1975) was de weduwe van Leon Werbrouck, de broer van tante Jeanny.  Ze werd ook wel “Elisa profijt” genoemd.

    Ik ging soms naar het winkeltje in de Kortemarkstraat, waar alles zo keurig en netjes was en rook naar linoleum.

    Leon kwam papier plakken en schilderen in gezelschap van zijn (ietwat simpele) zoon Jozef.  Hij vertelde regelmatig grapjes, die verouderd waren.  Hij had –meen ik- nog gevrijd met Julia Maeseele, die uiteindelijk huwde met meester Hoornaert.  Hij was lid van het oude koor.

    Geen enkele van zijn 3 kinderen is gehuwd.  Jozef is vrijwillig naar Duitsland gaan arbeiden en na de oorlog met een geknakte gezondheid teruggekeerd.  Maria was een lief en vriendelijk maar simpel meisje en is plots gestorven.  Margaretha leeft nog, zelfzeker, en geniet van haar bezit in het huis, langs de andere kant van de Kortemarkstraat, waar ooit Leon Reynaert woonde.

  • Rosalie Vandewalle

    Rosalie (29 januari 1876 – 16 september 1975) is ook bijna honderd jaar geworden.

    Hield een winkel van witgoed in de Neerstraat.  Was de moeder van onze gebuur Conrard Sauer, de eigenaardige duivenliefhebber uit onze buurt.

    Hij was gehuwd met Gudula Vangheluwe, van vooraan Beveren.  Hij deed aan (groot)handel in koekjes.  Zijn oudste zoon Etienne is jong gestorven; het was een brave jongen.  Dat was een groot drama!

    Zijn andere zoon Frans was een eerste klas deugniet, maar is gelukkig getrouwd geweest, wat laat; had nog 3 kinderen en is ook plots gestorven.

    Ik zag Conrard nog eens in het hospitaal.  Hij vroeg om sigaretten.  Zijn ziekte heeft maar enkele weken geduurd.

    Madeleine Sauer, zuster van Conrard, bleef ongehuwd en heeft het winkeltje in de Neerstraat voort gerund.  Ik geloof dat ze nu nog leeft in een rusthuis in Roeselare.

    Het was eigenaardig volk.

  • Florent Goddyn

    Florent Goddyn (25 februari 1908 – 24 september 1973) mankte, was een van de “steunpilaren” van De Zwaan.  Hij was groothandelaar in sterke dranken.

    Ik herinner mij dat ik daar drank (of was het azijn?) moest halen.  Ik zie mij nog binnenkomen in een grote kamer, waar langs weerszijden langs de muur een rij vaatjes gerangschikt lagen, ieder gevuld met een soort sterke drank.  Ik ruik nog de eigenaardige rare geur die in die zaal hing.  En zijn grote vrouw Clara Gotelaere (of was het de moeder van Florent Goddyn?) die mij bestelde.

    Zijn zonen volgden zijn voetsporen: Luc in de drankhandel en Johan in de politiek.

    Clara Gotelaere is tenslotte in het rusthuis beland en gestorven op 1 augustus 1993.  Ze zorgde op ’t einde van haar leven nog voor Goddyns kapel in de Fonteinestraat.

  • Adhemar Debruyne

    Adhemar (24 juni 1902 – 14 maart 1975) is komen een winkel in lijkkisten en grafsouvenirs houden, op de hoek van de Potteriestraat en het Kerkstraatje.  Hij heeft het oude huisje van Prudence Maeseele totaal herbouwd.  Hij was tevens “Suisse” (= kerkpolice) en had ook een etalage met sterke drank.

    Hij is de laatste Suisse geweest in Lichtervelde.  Zijn voorganger, Victor Samyn[1], had nog met gezag opgetreden; Adhemar liet de boel zoals hij was, hij zou eer gepraat hebben met de mensen dan ze berispt.  Het was een flop: de kerkgangers waren ook zijn klanten.

    Zijn zoon Julien is kerkbaljuw geworden, na Achiel Vergote, en heeft die functie 50 jaren met zorg en waardig vervuld.  Hij zette ook de handel van zijn vader voort en bleef ongehuwd.


    [1]        Victor Samyn haalde het huisvuil op met paard en kar, borstel en schop, elke vrijdag en/of zaterdag.

  • Camiel Vanderper

    “Boer Père” (13 mei 1901 – 5 december 1974) woonde in de beenhouwerij op de hoek van de Statiestraat en het Vredestraatje.  Hij was eigenlijk het type van de huisslachter, die de naam had goed zijn stiel te kennen en betrouwbaar te zijn.

    Zijn vrouw Netje was bekend als een eersterangs klappei die van geen klein gerucht vervaard was.

    Hij was jarenlang gemeenteraadslid en schepen van De Burgersgilde.

    Als we naar de tekenschool gingen in het klooster, gingen we dan varkensvelletjes vragen aan boer, die we opknabbelden onder de les.

    Zijn zonen volgden hem op:  Frans in de beenhouwerij en Georges, die niet huwde, in de politiek.

    Het was een familie kloeke, gezonde, goedaardige maar simpele mensen.  Ze hadden een grote aanhang in Lichtervelde.

  • Clothilde Vancoppenolle

     Clothilde Vancoppenolle (26 juni 1879 – 13 februari 1978) is bijna honderd jaar oud geworden en bleef ongehuwd.

    De dochters van “Fons Ko” waren uitzonderlijke eigenaardige mensen.  Ze woonden op de hoek van de Hoogstraat en de Pastoriestraat, tegenover de herberg “In Rome”, wat later “De cross” geworden is.

    Als ze stierf leefden er nog 2 zusters: Maria en Marguerite.  Ge kunt denken hoe lang ze allen geleefd hebben!

    Als hun broer, Honoré, trouwde, was er grote familieruzie.  Hij heeft als timmerman heel zijn leven in armoede geleefd.  Op zijn oude dag (vader had een huis voor hem gebouwd boven de beek in de Astridlaan, naast het “Paterskerkske”) ging hij elke dag in de wachtzaal van het station zitten, zich te warmen.

    Zijn vrouw probeerde heel haar leven wat standing te behouden.  Toen de oudste zoon Jozef priester werd (met financiële hulp, en allerlei dienstverlening zoals Guido Gezelle destijds), werd hij weer wat aanvaard door de tantes.

    De broer en de zuster van Jozef geraakten toch gehuwd, ze waren in school en in de samenleving op zij gelaten, op zijn minst gezegd, en zeer tenger van postuur.

    Ze waren familie van Jerome Vancoppenolle uit de Torhoutstraat.

    Op zijn minst een uitzonderlijke familie die een grote rol speelde in het dorpsleven rond 1900.  De rijkdom van de 3 zusters en de bittere armoede van Honoré, waarmee ze geen contact wilden hebben, was frappant.  Honoré was het type van de brave, goedmoedige verliezer, die liefst weinig en rustig werkte.

    In onze gang stond jarenlang een kleerhang-meubel, gekregen in plaats van geld voor de bouw van het huis.  Ze kregen dat huis –in openbare verkoping- niet verkocht.  De roep ging dat het niet sterk gebouwd was boven de beek, doch dat was niet waar.  Later werd het uit de hand verkocht aan Nestor Demeulenaere.

  • Albert Tempelaere

    De mensen noemden hem Alberiek (11 december 1923 – 13 februari 1981).

    Hij was gemeenteraadslid van De Burgersgilde.  Toen die hoe langer hoe meer de liberale koers vaarde, liep hij in 1971 over naar de C.V.P.  De juiste oorzaak weet ik niet.

    Dat gaf grote heibel op het dorp.  Zijn hoeve werd bedreigd.  Hijzelf beschimpt.  Maar hij werd toch herverkozen in 1977.

    En de teloorgang van De Burgersgilde is dan begonnen.  Hij heeft er ook zijn “endeklokke” aan gehaald en is subiet gestorven.

  • Maurits Casteleyn

    De brave Maurits Casteleyn (27 april 1915 – 1 november 1975) had zich door flink werken door het leven geslagen.  Een tijdlang ventte hij met ijskreem, de zondag als er ergens kermis of koers was.  Hij was gehuwd met de dochter van Richard Lievens, de eerste man van Julia Debusschere.

    Hij woonde aan de overzijde van de Sint Henricusstraat te Torhout, “De Langenhoek”, tegenover Julia.

    Toen Kamiel Vandewiele ziek werd en niet meer kon werken aan onze badkamer, heeft die afgewerkt.  Ook andere klusjes heeft hij voor ons verricht, altijd aangenaam en opgewekt.

    Toch was het milieu waarin hij leefde socialistisch: er werd met de priesters gelachen, minachtend.

    Op Allerheiligen 1975 ging ik met de fiets naar Maurits om hem uit te nodigen eens op bezoek te komen.  Toen ik daar aankwam, was hij die nacht plots overleden.

  • Cesar Vanbeselaere

    Cesar Vanbeselaere (19 september 1884 – 16 maart 1968) was een eersteklas wever.

    De gebroeders Vanbeselaere woonden in de Langemeersch, het wegje dat jammer genoeg nu Peperstraat genoemd wordt.  Ze waren met drieën:

    • Camiel, deed het huishouden;
    • Jules, was blind;
    • Hector, verbleef tijdens de oorlog in Amerika.

    Toen Cesar weduwnaar werd, is hij terug komen wonen bij zijn 3 ongehuwde broers.  Het kleine huisje waar de Vanbeselaeres woonden was steeds overvol bezoekers:

    • Duivenliefhebbers (voor Jules);
    • Postzegelliefhebbers (voor Camiel).

    Jules, Hector en Cesar waren gezworen drinkebroers.  Ze trokken, als het kermis was, met een ouderwetse fonograaf naar de cafés.  Dus ook naar het café van mijn grootvader, waar ze mordicus als familieleden van de Reynaerts wilden behandeld worden.  Ze waren steeds luidruchtig en welgezind.

    Eens kwamen ze, goed zat, langs de Statiestraat naar huis.  De rijkswachters stopten en vroegen hun identiteitskaart.  In plaats van ze te bekeuren, voerden ze de broers netjes naar huis.  Daar werd mee gelachen.

    Camiel dronk nooit; waste, stopte, naaide en verzamelde postzegels: de grootste verzameling van de streek!  Hij werkte heel zijn leven aan de accordeons Callewaert en schonk zijn verzameling aan de dochter.

    Hun moeder heette Rosalia Gunst en was dus dichte familie van de gebroeders Gunst uit de Groenstraat, een identieke bende.

  • Richard Delameillieure

    Als ik kind was, kwam Richard (1 maart 1893 – 15 februari 1973) met zijn dik lui paardje de zaterdag met vers brood.  En we aten dan als dijkdelvers.

    We gingen ook wel eens, maar niet vaak, naar zijn winkeltje in de toen nog zo geheten “Torreststraat”.

    Hij speelde met de duiven en slaagde er na veel jaren in een blauwe kampioen te kweken en zeer goed te spelen op Dourdan (hij geraakte aan ras door een Roeselaarse handelsreiziger).

    Veel jaren onderhielden we goede betrekkingen met hem.  Hij had wel een beetje een minderwaardigheidsgevoel (als “veldknapper”) en zijn vrouw was mensenschuw.  Maar hij was zeer slim.  En in de wijk “Het veld” was hij een leidende figuur.  Hij zamelde jaarlijks de pachtgelden in op het veld en bracht ze naar de grondeigenaar in Brugge.  Zo kon hij ook soms bemiddelen bij de toekenning van een nieuwe pacht.

    Elke zaterdagavond was er kaartavond in zijn huis en er werd gekaart voor taarten en gepraat over de duiven.  Hij had één groot verdriet: zijn oudste zoon Aloïs was minus-habens en is betrekkelijk jong op een nacht gestorven.

    Richard had mooie spreuken, o.a. “ge kunt alleen goeie duiven hebben van het ras Pikaart” (= gepakte).

    Ik heb hem de laatste jaren van zijn leven regelmatig bezocht.  Toch heb ik nooit echt zijn vertrouwen gewonnen: hij dacht altijd dat ik met bijbedoelingen bij hem op bezoek kwam: het traditionele wantrouwen tegen het dorp.

    De wind en de sneeuw hadden vrij spel op zijn duivenhok; het vroor er zoals buiten.  Toch kweekte hij ’s winters mooie jongen.  Hij vertelde niets over de moor die steeds achteraan op de Leuvense stoofbuis  stond met lauw water.  Aan het hok kuisen had hij een broertje dood, net als zijn broer Jules Delameillieure.  De laatste keer dat ik op bezoek ging, lag hij te bed op de “volte”.  Hij antwoordde rustig op mijn vragen en als ik beloofde nog eens gauw terug te komen, zie hij: “ge moogt dat niet laten”.  Een paar dagen later is hij gestorven en niemand liet het ons weten.

    Vandaag, 1 augustus 2003, is zijn zoon Boudewijn, die hem opvolgde als bakker, begraven.