Auteur: karel

  • Leo Vandekerckhove

    Ik moet Leo (26 december 1903 – 19 maart 1994) leren kennen hebben toen hij langs de baan werkte bij nonkel Maurits, kantonnier.

    Maar als hij +85 werd, bezocht ik hem elk jaar, tenden Lichtervelde, nabij de autostrade.  Hij had daar een aparte houten woning, nabij het huis waar zijn zoon Pieter woonde.  Later ging hij bij Pieter inwonen.

    Maar Pieter verkocht uiteindelijk het huis en Leo kwam in het rusthuis terecht, waar hij nog verscheidene jaren leefde, mager, uitgeteerd, in een rolstoel.

    Lionette Vergote, zijn schoondochter, heeft er veel voor gedaan.  Zowel tenden de Kauwentijnestraat als in het rusthuis.

  • Leon Gunst

    Leon (7 juni 1909 – 24 januari 1994) was de laatste van de gebroeders Gunst uit de Groenstraat.

    Was me dat een bende!

    De oude moeder Marie Naert heeft zeer lang geleefd.  Bij haar waren nog 3 zonen:

    • Arseen die toch nog laat getrouwd is met een weduwe uit de buurt.
    • Leon die tenslotte gaan wonen is bij zijn neef Frans in de Statiestraat.  Hij was een been afgezet en kon niet meer gaan.  Frans was de zoon van Richard die vroeg gehuwd was en niet in de Groenstraat woonde.
    • Maurits die afroeper was bij openbare verkopingen.

    Ze hadden fantastische duiven achter hun klein huisje in de Groenstraat.  En het waren grote pochers en lawaaimakers.

  • Irma Hillewaert

    Irma (2 februari 1923 – 22 februari 1994) was mentaal gehandicapt, doorbraaf, en vele jaren de “huisbewaarster” bij nonkel Frans en tante Daria.  Alleen maar bekwaam om eenvoudige taken uit te voeren.  En verder zeer betrouwbaar en stil, stil van karakter.

    Het was voor haar de oplossing: in ’t weekend thuis bij haar ouders, door de week thuis bij Daria.  Zo was het draaglijk.

    Toen Daria gestorven was, is ze toch nog een tijd in een home of een rusthuis geweest.  En ik denk erbij: ongelukkig.  Maar ja …

  • Martha Desmet

    Martha (2 januari 1907 – 24 maart 1994) was jarenlang de buurvrouw van nonkel en tante Vangheluwe in de Stegelstraat.  Ik heb ze vele jaren gekend als een opgewekte vrouw, vlot in de omgang en moeder van een schoon gezin. (Karel, Norbertijn Lode, Jozef, Herman, Marcel en Lieve).

    Haar laatste jaren sleet ze in het rusthuis.  En ze was toen niemand meer.  Het is moeilijk te zeggen, ze leefde al jaren niet meer.  Er zat geen vitaliteit meer in.  Een beetje zoals tante Clothilde: eenmaal “getekend” door het levenseind, reageert een mens niet meer op alles.

    Ze zijn inwendig afgekeerd van alles en allen en gericht op de eeuwigheid, de grote realiteit die onafwendbaar zich aankondigt.

  • Michel Debel

    Michel (22 september 1907 – 6 april 1994) was een ruwe, bij wijlen brutale, en toch een zeer goede mens. 

    Hij heeft veel beproevingen gehad. Hij was afkomstig van Moorslede en sinds lang weduwnaar. Bij hem woonde zijn (simpele) ongehuwde zoon (?). 

    Iemand uit de pionierstijd van het ACV. De laatste jaren van zijn leven reed hij nog met zijn oud autootje naar de KBG vergaderingen. 

    Een paar huizen verder woonde zijn dochter, die hem het laatste jaar goed verzorgd heeft.

    Hij had ook een –gestudeerde- broer in Moorslede, die nog naar Kongo uitgeweken was en een voorname rol speelde in de KBG – Medard.

  • Richard Vandaele

    Richard (5 april 1916 – 25 september 1992) werkte bij de spoorwegen, op het seinhuis.  Hij is heel zijn leven tegen iets of iemand gewest.  Kritiek voeren was zijn tweede natuur.

    Op ’t eind was hij dement geworden.  De fut was er uit, hij sprak niet meer op de bestuursvergaderingen van KBG.

    Maar zeer actief is hij geweest.

    Zijn trots was de Christelijke Bond van Spoorwegpersoneel, waarvoor hij bergen werk verzette en die bloeide in heel de streek.

  • Julia Alliet

    Hoe kan in zo’n klein lichaampje zoveel energie en vreugde en toewijding schuilen?

    Julia (29 december 1906 – 21 september 1992) was een meisje van niemendal, opgevreten door euma, alleen in haar klein huisje.

    Met een leven, een mooi leven achter zich.

    Gehuwd met haar schoonbroer na de dood van haar zuster.  De kinderen van haar zuster opgevoed als waren het haar eigen kinderen.  Zelf kinderloos gebleven.

    Toen het niet meer anders kon naar het rusthuis, zeer tegen haar zin.  Bij de kinderen moest je niet zijn…

    Maar in het rusthuis ontving je me verder met de zelfde frisse gulheid, je toonde mij de tuin en de grot alsof alle je eigendom was, ook de grote vogelkooi en je trakteerde me altijd zo mild…

    En zingen dat je kon!  Ik was op dat gebied een echte ontgoocheling voor u.  Je was echt de verpersoonlijking van Herfstvreugde.

    Na een jeugd van armoede en verstotenheid omdat je vader hertrouwde en een hele bende kinderen had met zijn tweede vrouw.  Die nog leefde toen jij stierf en waarmee je toch nog altijd contact gehouden had.

  • Magdalena Garsbeke

    Goede, heilige Madeleine Garsbeke (15 augustus 1910 – 18 juli 1992): hoe heb ik genoten van uw gezond verstand, uw voorzichtige tederheid, uw moederlijke bezorgdheid, uw hartelijkheid bij elk bezoek in het bejaardenhuisje dat je bewoonde.

    Zo lang geleden, uw twee kinderen waren nog klein, verongelukte uw man op zijn werk.  Alleen hebt gij de rest van uw leven besteed aan de opvoeding van Hugo en Guido.

    Ze zijn op hun tijd van u weg gegaan in eer en deugd.  Maar gij zijt (betrekkelijk) alleen achter gebleven met uw ziekenzorg, uw KBG, uw KAV, uw bezigheidsgroepn uw rusthuiswerking.

    Gij zijt één van mijn prachtigste herinneringen gebleven.

  • Irène De Gheldere

    Irène De Gheldere (6 februari 1912 – 21 februari 1992) was de dochter van een Lichterveldse bakker, altijd op en top gekleed, pralend met haar juwelen.

    Gehuwd met de onziende Victor Staelens, landbouwerstype, actief, gezond, duivenliefhebber.  Een koppel dat op zicht niet bij elkaar paste en kinderloos bleef.

    Het schijnt dat hij haar haren heeft afgeknipt in het jaar 1945.  Zwart en Wit…

    Ze waren lid van KBG, hij zelfs bestuurslid.

    Op een zekere keer was ze haar kostbare mantel gestolen in de vestiaire, ter gelegenheid van een KBG-feest.  De mantel is nooit terecht gekomen.

    Hun huisje vlak voor de spoorweg, een eigenaardig klein tweewoonstje dat weer inéén gebracht was, stond vol van prachtige zaken.  Kitch?

    Zij was wel de dochter van een duivenliefhebber.  Dat was voor mij het enige raakpunt.

  • Georges Coucke

    Georges (13 mei 1915 – 4 november 1991) was een collega, later mijn directeur.

    Een opgewekte, goedaardige, welwillende mens.  Geen onderwijzer.  Geen hoogmoed.

    Toneelacteur.  Muzikant.  Door De Burgersgilde naar Lichtervelde gehaald.

    Herinneringen…

    Op de “feestjes” zong hij “Hoog de harten”, het lied van Jules Missinne, “Mijn eerste meisje”, “De zangvereniging”, “Lotje”, e.a.

    Vertelde graag over zijn jonge jaren met meester Decorte, “fasse” Carpentier, Jules Missinne.

    Het directeurschap is een ontgoocheling voor hem geweest.  Het ontgoochelde mij ook, o.a. bij de evaluatie van het aardrijkskunde thema van inspecteur Verhalle.

    In de schoolstrijd zat hij in het andere kamp.  Veel religieuze aanleg had hij niet, zijn kinderen nog min en dat kwam tot uiting in de begrafenisplechtigheid.  Zijn zoon Paul werd dokter en vestigde zich in Koolkerke.

    Toen ik hem later ontmoette, zie hij: “Mijn vrouw en ik zitten hele dagen weerszijden van de stoof niets te doen”, een eindeloze verveling…