Auteur: karel

  • Julia Debusschere

    Ik heb ze eigenlijk nauwelijks gekend.  Julia Debusschere (20 maart 1884 – 21 november 1969) was de tweede echtgenote van Leon Lievens.  Deze Leon Lievens was eerst gehuwd geweest met Elisabeth Werbrouck, de zuster van tante Jeanny, gehuwd met mijn nonkel Sylveer Reynaert.  Ik moet ze misschien ontmoet hebben, op de kermis- en familiebijeenkomsten bij tante Jeanny.  Heel de familie spotte er mee: ze spraken achter haar rug over “kwijle-baba”, waarom weet ik niet[1].

    Ik heb haar zéér hoog geacht.

    Toen in 1944 – 1945 nonkel Sylveer zich verborg om te ontkomen aan de “witte brigade” in Izegem, dook hij voor enkele weken onder op de “Langenhoek” van Torhout, bij Julia Debusschere.  Hij praatte achteraf niet graag meer over die moeilijke periode, maar ik was haar de rest van haar leven dankbaar voor.  Ik bleef haar af en toe bezoeken, ook na de dood van Leon Lievens.

    Zo kwam het ook dat we bevriend bleven met zijn schoonbroer Maurits Casteleyn – Lievens.  Die is verscheidene werkjes komen verrichten: aan de badkamer enz.  Nu nog zijn we verleden zomer eens op bezoek geweest bij de weduwe van Maurits.


    [1]        Julia was in 1905 gehuwd met Richard Lievens, broer van Leon.  Had het er mee te maken dat ze toen reeds een zoon van 4 jaar oud had, die bij dit huwelijk gewettigd werd als Jozef Lievens?

  • Paul Lannoy

    Paul Lannoy (2 mei 1897 – 30 januari 1968) was onderwijzer der hoogste klas, zeer landbouwgericht (als boerenzoon), zeer joviaal omgaande met de kinderen, goede psycholoog met gezag, een geboren verteller.

    Ik zat twee jaar in zijn klas. Ik deed het examen van “meest begaafde” mee in zijn klas en de exacte uitslag werd ons nooit meegedeeld; dat was het eerste jaar. 

    Het tweede jaar legde ik een duur gekocht sierschrift aan met Landbouw – Aardrijkskunde – Wetenschappen met veel netjes getekende illustraties.  Ik was er fier op, doch het was mij later van geen nut. Het tweede jaar verrichtte ik veel administratieve klusjes, wat ook al geen zin

    We gingen regelmatig naar de hoeden- en linnenwinkel die zijn vrouw Julia openhield.

    Toen we naar Ardooie reden, naar het examen voor de 4de graad, kon ik nog niet goed per fiets rijden.  Meester Paul zei me, toen we een moeilijke bocht aan het Aanwijs moesten nemen: “Ik zal je even vasthouden bij het zadel, dat je niet valt!”.  Hij deed dat, en zodoende viel zijn boekentas van zijn fietsbuis.  Het achterwiel reed er over en zijn (gekookte) eieren, voorzien als middagmaal, … waren platgesmeerd.

    In het jaar ’45 (of was het in ’40? – nee het zal wel op ’t eind van de oorlog geweest zijn) verkocht Julia Hoet ons wat ondergoed –dat toen schaars te krijgen was- veel te duur.  Dat was het einde van de vriendelijke relatie.

    Wat ik nooit geweten heb: dat is de vete tussen Guido Delefortrie en Paul Lannoy, wegens de verkiezing tot directeur.  Toen Paul Lannoy op pensioen ging, heeft Guido nooit het afscheid gevierd met de school.

    Zijn vrouw Julia Hoet (8 augustus 1896 – 19 augustus 1975) overleefde hem nog 7 jaar.  Leon Lannoy leeft nu nog altijd, ongehuwd, in het vervallen huis.

  • Flavie Stragier

    Flavie Stragier (10 maart 1890 – 24 september 1968) was de schoonmoeder van mijn broer Jozef.

    Ik heb er eens een onaangename gebeurtenis mee beleefd.

    Ik was peter van Mia.  Ik wist niet dat het de gewoonte was dat de peter geld gaf aan de doop-priester.  Zij maakte mij daar op brutale wijze attent op in de auto; ik moest enkele honderden franks geven aan haar zoon E.P. Paul Robesyn.

    … ik vond het … erg!  Zij geloofde mij niet …

  • Gerard Baert

    Gerard Baert (3 april 902 – 21 april 1971) was koster na Jean Vandenweghe.  Jean was een poëet; Gerard was een technieker.

    Hij hield een tabaks- en sigarenwinkeltje in de Neerstraat.

    Het doksaal was zijn eigendom, niemand had daar iets te piepen.  Hij had een grote achting voor de priesterstand, ook een broeder-pater.  Hij maakte de laatste processies mee.

    Hij was zeer zenuwachtig, hield er altijd een hoog tempo op na, was liefhebber van kaarten en van grappen vertellen.

    Op ’t doksaal kende ik hem van het vroegere mannenkoor onder leiding van Michel Delefortrie en het jaarlijks souper in De Keizer.  Hij vertelde grappen of kafferde ons uit als we loechen.

  • Michel Vanzieleghem

    Michel Vanzieleghem (23 juli 1904 – 17 juni 1969) was beenhouwer op het hoekje van de markt.  Hij speelde toneel bij De Zwaan en was er de vedette, samen met Arsène Vangierdegom.

    Hoogtepunt: “Leontientje” en “De paradijsvogels”.  Michel als de ruwe Bolle Verbuyck, Arseentje als het pientere Rietje Rans.  Ik speelde met hem ook o.a. “De molen van Sanssouci”.

    Hij was een wild talent, week vaak van zijn tekst af, meestal om het succes.  En was zeer grillig van karakter.

    “Leontientje” werd voor de oorlog gespeeld op de tekst van “De pastoor uit de bloeiende wijngaard”, van Felix Timmermans.

  • Camiel Tanghe

    Onderwijzer Camiel Tanghe (16 december 1885 – 5 maart 1971), afkomstig van Ichtegem, huwde in Lichtervelde met Maria Moreels, dochter van koster Aimé Moreels.

    Hij was een voorman van de De Burgersgilde.

    Verloor in de oorlog zijn twee zonen Aimé (slachtoffer van een bombardement) en Gerard (onthoofd als weerstander).  Had nog drie dochters: allemaal even levenslustig en muzikaal.  Hij overleed in het rustoord.

    Hij blijft in het schoolbeeld als de man met het zweepje.  De kinderen van zijn klas moesten vaak het lied zingen: “Mijn ezeltje is een Pietje Fret, wie kent er mijn ezeltje niet?”.  En hij sloeg dan de maat met zijn wisje op de lessenaar.  Dat wisje dat vaak ook de kuiten streelde.

    Na de oorlog werd hij schepen van onderwijs en hield ontroerende redevoeringen dat de slachtoffers van de oorlog nooit mochten vergeten worden.

  • Camiel Tanghe

    Onderwijzer Camiel Tanghe (16 december 1885 – 5 maart 1971), afkomstig van Ichtegem,huwde in Lichtervelde met Maria Moreels, dochter van koster Aimé Moreels.

    Hij was een voorman van de De Burgersgilde.

    Verloor in de oorlog zijn twee zonen Aimé (slachtoffer van een bombardement) en Gerard (onthoofd als weerstander).  Had nog drie dochters: allemaal even levenslustig en muzikaal.  Hij overleed in het rusthuis.

    Hij blijft in het schoolbeeld als de man met het zweepje.  De kinderen van zijn klas moesten vaak het lied zingen: “Mijn ezeltje is een Pietje Fret, wie kent er mijn ezeltje niet?”.  En hij sloeg dan de maat met zijn wisje op de lessenaar.  Dat wisje dat vaak ook de kuiten streelde.

    Na de oorlog werd hij schepen van onderwijs en hield ontroerende redevoeringen dat de slachtoffers van de oorlog nooit mochten vergeten worden.

  • Jules Jozef Lejaeghere

    De “plakker” uit de Torhoutstraat (21 september 1895 – 10 augustus 1977).  Een wroeter, 7 dagen op 7, in de beton branche.

    Zijn vrouw Renilde Vanbecelaere moest meehelpen: de mensen zegden dat ze er een ziekte aan gehaald had.  Ze was eerder lichamelijk dan geestelijk gestoord, ze kon niets meer doen, ge verstond ze bijna niet.

    Hij maakte vooral citernes, was zeer opvliegend en eigenzinnig, maar zijn zaak “draaide”.  Hij leverde overal goedkoopst.

    Op ’t eind van zijn leven trok hij volgens het hem inviel van ’t één hospitaal naar het andere, zonder boe of bah te zeggen.

    Ik herinner me niet meer of hij zelf nog het nieuwe werkterrein in de Zwevezelestraat aangelegd heeft.  Zijn zoon, zelf kinderloos, heeft het bedrijf later overgelaten aan DEWADAL.